Kern: Een voorafgaande arbeidsovereenkomst tussen dezelfde partijen die op initiatief van de werknemer is geëindigd, zonder dat sprake was van ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever, wordt bij de berekening van de transitievergoeding niet samengeteld op grond van art. 7:673 lid 4 sub b BW, ook niet als de tussenpoos korter was dan zes maanden.
De zaak
De werkgever is een wereldwijd opererend offshorebedrijf. De werknemer trad in juni 2011 in dienst en zegde zijn arbeidsovereenkomst zelf op tegen 1 oktober 2017. Vijf maanden later, op 1 maart 2018, trad hij opnieuw bij dezelfde werkgever in dienst. Later ontstond een conflict over zijn functie en over uitzending naar het buitenland. De werkgever verzocht ontbinding. De kantonrechter ontbond de arbeidsovereenkomst per 1 december 2023 wegens een verstoorde arbeidsverhouding (de g-grond) en kende een transitievergoeding toe van € 12.683,02 bruto, berekend over het tweede dienstverband.
De werknemer betoogde in hoger beroep dat het eerste dienstverband moest meetellen. De tussenpoos tussen beide arbeidsovereenkomsten was immers korter dan zes maanden, zodat volgens hem de samentellingsregel van art. 7:673 lid 4 sub b BW van toepassing was. Dan zou de transitievergoeding over ruim twaalf jaar moeten worden berekend in plaats van over bijna zes. Het hof wees dat af: de transitievergoeding is alleen verschuldigd als het initiatief tot beëindiging van de werkgever uitgaat, en het eerste dienstverband was door de werknemer zelf opgezegd. Het hof stelde de vergoeding vast op € 14.346,37 bruto. De werknemer ging in cassatie.
Lees verder als abonnee
Dit is het begin van de bespreking van dit arrest. Het vervolg, met de rechtsregel, de betekenis voor uw HR-praktijk en de vindplaatsen, staat in het portaal van hrrecht.nl. Abonnees hebben toegang tot de volledige kennisbank, alle besproken standaardarresten en de legal agent die deze kennis toepast op hun eigen dossier.
Een demo duurt dertig minuten en is vrijblijvend. Bekijk ook de prijzen.